Door: Alexandre Drabowicz, Global Chief Investment Officer bij Indosuez Wealth Management Bénédicte Kukla, Chief Strategist bij Indosuez Wealth Management Lucas Meric, Cross Asset Strategist bij Indosuez Wealth Management Jérôme van der Bruggen, Chief market Strategist bij Indosuez Wealth Management Francis Tan, Chief Strategist Asia bij Indosuez Wealth Management
Beleggers navigeren dit najaar door een marktomgeving gekenmerkt door aanbodschokken, een veranderend beleid bij de centrale banken en een drukke verkiezingskalender. De experten van Degroof Petercam argumenteren hoe ze gepositioneerd zijn op het vlak van rentetarieven, de Amerikaanse dollar en aandelen.
Tijdens de zomer en aan het begin van de herfst tekende zich een scherpe stijging van de Amerikaanse en mondiale rentes af als gevolg van verschillende factoren: de markt heeft haar groeiverwachtingen naar boven bijgesteld in een omgeving waarin de inflatie hoog blijft; verslechterende begrotingsposities, waarbij de leencapaciteit van overheden steeds meer onder druk komt te staan door de aanzienlijke financieringsbehoeften van hyperscalers op de obligatiemarkten; stijgende energieprijzen te midden van aanhoudende onzekerheid in het Midden-Oosten; en zorgen over de geloofwaardigheid van de Federal Reserve (Fed) na de gemengde signalen van Kevin Warsh tijdens de zomer. De rentestijging creëert een gunstiger klimaat voor langere looptijden, ondersteund door een hoge carry. De obligatierentes zijn teruggekeerd naar een niveau dat we niet meer hebben gezien sinds de wereldwijde financiële crisis. Deze stijging van de rente heeft geleid tot een steeds aantrekkelijker klimaat voor vastrentende waarden, dat momenteel wordt geschraagd door een hoge carry.
Toch blijven wij enigszins voorzichtig ten aanzien van de looptijd, een positie die wij het hele jaar door hebben aangehouden. De aanhoudende concurrentiestrijd om kapitaal tussen overheden met nog steeds grote tekorten en de aanzienlijke financieringsbehoeften voor de investeringscyclus rond artificiële intelligentie (AI) blijven opwaartse druk uitoefenen op de langetermijnrente. Tegelijkertijd zorgen de geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten ervoor dat de risicobalans overhelt in de richting van hogere rentes.
Hoewel ons basisscenario vóór de zomer niet uitging van een renteverhoging door de Fed, heeft de Amerikaanse centrale bank haar beleidsrente in september met 25 basispunten (bps) verhoogd. Hiermee wil ze allicht de geloofwaardigheid van Kevin Warsh versterken en helpen vermijden dat de teugels van de Amerikaanse langetermijnrente volledig worden losgelaten. De Fed werkt hiervoor samen met het Amerikaanse Ministerie van Financiën, dat zich hier deze zomer herhaaldelijk voor heeft ingezet. De Fed-leden werden de afgelopen weken steeds ongeduldiger omdat de inflatie hoog blijft, wat de renteverhoging in september ondersteunde. We verwachten nu nog één renteverhoging tegen het einde van het jaar, waardoor de Fed Funds-rente eind 2026 op 4,25% zou komen te liggen (tegenover 3,75% eerder), alvorens zich tegen eind 2027 met een renteverlaging te stabiliseren op 4,0% (tegenover 3,5% eerder).
Volgens ons is dit eerder een bijsturing van het monetaire beleid dan een nieuwe volledige verkrappingscyclus, ook al prijzen de markten dit reeds in. Zo wordt de Fed Funds-rente voor 2028 nog steeds boven de 4,5% ingeschat. Wij blijven de huidige inflatie zien als het gevolg van tijdelijke aanbodschokken door tarieven en energie, terwijl zeer specifieke componenten, in het bijzonder computersoftware en financiële diensten, de door de Fed geprefereerde kern-PCE-maatstaf op een hoog niveau van 3,3% houden. Tegelijkertijd wijzen alternatieve indicatoren voor de onderliggende inflatie niet op een toename van de prijsdruk en lijkt de economie ook niet oververhit te raken, aangezien de arbeidsmarktomstandigheden evenwichtig en stabiel blijven. Naarmate deze tijdelijke effecten afnemen, zou de inflatie in 2027 moeten zakken tot onder de 3%, met of zonder verdere renteverhogingen door de Fed, wat de beleidsmakers gerust zou moeten stellen. In deze context blijven we negatief over de dollar, maar een restrictiever en geloofwaardiger Fed-beleid brengt ons ertoe ons EUR/USD-doel licht bij te stellen naar 1,18, tegenover 1,20 eerder.
De Amerikaanse tussentijdse verkiezingen vinden plaats op 3 november 2026. Prognoses schatten de kans dat de Democraten de volledige controle verwerven nu op 66%, tegenover minder dan 45% vóór de zomer.
Zoals aangehaald in onze juli-editie van de CIO Perspectives over de Amerikaanse midterms blijken de markten vaak volatieler tijdens de maanden voor de verkiezingen, omdat de onzekerheid over uitkomst daarvan het sentiment drukt. De periode na de verkiezingen is doorgaans gunstiger voor aandelen naarmate de onzekerheid afneemt.
Als de Republikeinen het Huis van Afgevaardigden verliezen, zal de regering minder ruimte hebben om beleidswijzigingen door te voeren. Dat scenario zou de onzekerheid doen afnemen en de zorgen over begrotingsoverschrijdingen helpen beperken. Niettemin zou ook de kans op een risicovol begrotingsbeleid en op spanningen rond het schuldenplafond kunnen vergroten. De president zou nog steeds een aanzienlijke invloed uitoefenen op het handels- en buitenlands beleid, twee domeinen die tijdens zijn ambtstermijn al voor marktvolatiliteit hebben gezorgd. Ook bij een overweldigende overwinning van de Democraten zou dit het geval zijn, aangezien het vetorecht van de president nog steeds ingrijpende wetswijzigingen zou beperken. Toch zou een dergelijke uitkomst extra druk uitoefenen op de dereguleringsagenda van de huidige regering en zou dit kunnen worden gezien als een negatief signaal voor beleggers in de aanloop naar de volgende presidentsverkiezingen, vooral als dit het vooruitzicht op strengere regelgeving – onder meer op het gebied van AI – en hogere vennootschapsbelastingen met zich meebrengt.
Het klimaat na de tussentijdse verkiezingen is doorgaans gunstig voor aandelen, Alles bij elkaar beschouwd zou een overweldigende overwinning van de Democraten waarschijnlijk de minst gunstige uitkomst zijn voor de markten op korte termijn. Zo een overwinning kan initieel leiden tot risico-aversie, waardoor beleggers de relatieve veiligheid van staatsobligaties zouden opzoeken en de druk op het lange gedeelte van de Amerikaanse rentecurve zou afnemen, terwijl dit eveneens druk zou zetten op de dollar. Onze constructieve visie op middellange termijn blijft voor aandelen echter ongewijzigd. Bedrijfswinsten blijven de belangrijkste motor achter de prestaties, en we verwachten dat de winstgroei de markten de komende maanden zal blijven ondersteunen.
We verwachten dat de Brent-olieprijzen tot het einde van het jaar op een hoog niveau zullen blijven, met een gemiddelde prijs van ongeveer 90 dollar per vat in het vierde kwartaal, wat grotendeels in lijn ligt met het derde kwartaal. China past de vraag aan en de diplomatie lijkt zich in een constructievere richting te bewegen, wat enig neerwaarts risico met zich meebrengt voor onze prognose op korte termijn. Uiteraard zou een geloofwaardige doorbraak de Brent-prijs relatief snel kunnen doen dalen richting onze aanname voor 2027 van 75–80 dollar per vat. We verwachten echter geen aanhoudende daling tot ver onder die bandbreedte in 2027. Redenen hiervoor zijn de noodzaak om voorraden weer op peil te brengen, de aanhoudende onzekerheid over het aanbod en de voortdurende geopolitieke volatiliteit. De risico’s rond deze vooruitzichten zijn over het algemeen in evenwicht. Extra aanbod, onder meer als gevolg van verdere verdeeldheid in de Organisatie van Olie-exporterende Landen (OPEC), zou de prijzen kunnen drukken, terwijl hernieuwde geopolitieke spanningen een nieuwe opwaartse schok zouden kunnen veroorzaken.
Voor de eurozone zouden aanhoudend hoge Brent-prijzen de totale inflatie onder druk houden; volgens onze prognose zou de inflatie in het vierde kwartaal een piek bereiken van ruim 4%. Dit creëert een moeilijke situatie voor de Europese Centrale Bank (ECB). In principe reageert het monetaire beleid niet agressief op een tijdelijke aanbodschok, zeker niet nu de kerninflatie (exclusief voedsel- en energieprijzen) zwak blijft en in augustus nog steeds afnam. Na acht maanden van hoge olieprijzen wordt het onderscheid tussen tijdelijk en aanhoudend echter steeds minder duidelijk, terwijl de inflatieverwachtingen en de loondynamiek nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden. We zien echter weinig aanwijzingen voor brede tweede-ronde-effecten, ondanks een sterkere economische activiteit en loondruk in delen van Zuid-Europa, met name Spanje.
Daarom blijven we van mening dat de markten te veel monetaire verkrapping inprijzen tot 2027. Niettemin zou een nieuwe renteverhoging door de ECB in december 2026 aannemelijk zijn als de Brent-prijs gedurende het vierde kwartaal in de buurt van 90 dollar per vat blijft. De ECB blijft zeer gevoelig voor de door energieprijzen aangedreven inflatie na de ervaringen van 2022 en lijkt zich steeds meer te richten op het beschermen van de geloofwaardigheid van haar inflatiedoelstelling. Eventuele verdere verkrapping zal waarschijnlijk echter van tijdelijke aard zijn en zou moeten worden teruggedraaid zodra basiseffecten op het vlak van energie de totale inflatie in 2027 beginnen te drukken.